Maak nader kennis met de röntgenfoto, echo, MRI en CT-scan

Om een diagnose te stellen, kan de orthopedisch chirurg gebruikmaken van een aantal beeldvormende technieken. Hiermee kan de arts van buiten het lichaam naar binnen kijken. Dit overzicht geeft aan waarvoor de röntgenfoto, de echo, de MRI en de CT-scan geschikt zijn.
NB. Dit is een aanvulling op het artikel in Zorg voor beweging Jaarmagazine 2014.

Röntgenfoto
Echo
MRI
CT-scan

Röntgenfoto
De röntgenfoto is geschikt om te bekijken of een bot gebroken is. Zo’n foto wordt gemaakt met kortstondige elektromagnetische straling en laat in een plat vlak de botten zien. Daarom zijn vaak meer foto’s nodig om een gewricht vanuit verschillende hoeken te kunnen bekijken. In combinatie met het verhaal van de patiënt en een lichamelijk onderzoek kan de arts heel vaak op basis van de röntgenfoto’s de diagnose al stellen.

Voorbeeld:
Dit is een röntgenfoto van een linkerschouder. Aan de buitenkant van de kop van de bovenarm is een breuk zichtbaar.
(NB. Dit heet een tuberculum majus fractuur van de humerus. De ‘humerus’ is het bovenarmbot, de ‘tuberculum majus’ is de grootste van de twee knobbels die aan de kop van het bot zitten.)

Echo 
Op een echo zijn de zogenoemde ‘weke delen’ goed zichtbaar: spieren, pezen en het gewrichtskapsel. Deze techniek maakt gebruik van geluidsgolven die ‘live’ bewegend beeld laten zien. Een radioloog voert dit echo-onderzoek uit en heeft de deskundigheid om de beelden te ‘lezen’. De orthopedisch chirurg ontvangt van de radioloog een onderzoeksverslag. Soms doet de orthopedisch chirurg zelf het onderzoek om real-time informatie te krijgen, maar meestal laat hij dit over aan de radioloog.

Voorbeeld:
Deze echo-afbeeldingen laten de rechterschouder zien. Er is een spier/pees gescheurd.
(NB. Hier ziet u een ruptuur van de supraspinatus-pees. De ‘musculus supraspinatus’ is een van de schouderspieren; deze loopt van het schouderblad naar de kop van de bovenarm.)

MRI 
Voor een MRI-scan ligt de patiënt 20 tot 30 minuten in een soort tunnelbuis. In die buis worden magnetische velden opgewekt. Dit geeft een driedimensionaal beeld van vooral de weke delen, van kraakbeen en van het beenmerg. Soms wordt contrastvloeistof ingespoten om nóg nauwkeuriger te zien. Het is een relatief duur onderzoek en niet altijd noodzakelijk voor de diagnose.

Voorbeeld 1: MRI-scan van dezelfde schouder als bij de echo.

Voorbeeld 2:
Een MRI-scan van een andere schouder. De kraakbeenrand die op de schouderkom zit, is aan de voorkant afgescheurd.
(NB. Dit heet laesie van het anterieure labrum. Het ‘labrum’ is de kraakbeenrand die op de schouderkom zit. ‘Laesie’ betekent verwonding en ‘anterieur’ verwijst naar de voorzijde van het schouderkom.)

CT
Voor een nauwkeurig onderzoek van de botten kiezen artsen soms voor een CT-scan, als aanvulling op de röntgenfoto. Hiermee is het bot als het ware in ‘plakjes’ – een doorsnede – te zien. Deze techniek wordt vaak gebruikt om details goed in beeld te brengen; bijvoorbeeld bij ingewikkelde botbreuken. De stralingsbelasting bij een CT-scan is hoger dan bij een gewone röntgenfoto. Dat is niet direct schadelijk voor het lichaam, maar daarom kiest een orthopedisch chirurg alleen voor deze scan als er een heel goede reden is.

Voorbeeld:
Deze patiënt had de schouder naar achteren uit de kom. Daarbij is kop van het bovenarmbot tegen de achterste rand van de schouderkom gekomen. Het resultaat is een deuk in de kop van het bovenarmbot.
(NB. Dit heet een reversed Hill-Sachs laesie met een subluxatiestand naar dorsaal. De ‘Hill-Sachs laesie’ is de deuk in de kop van het bovenarmbot. ‘Subluxatiestand’ betekent dat de schouderkop nog steeds gedeeltelijk buiten de schouderkom zit (luxatie = volledig uit de kom) en ‘dorsaal’ geeft aan dat deze subluxatie aan de rugzijde zit.)

Thema: 
De orthopedisch chirurg